De mythe van de kloof tussen burger en politiek

De geringe opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen in vergelijking met de Tweede Kamerverkiezingen baart zeker zorg. Maar aan de andere kant denk ik niet dat je het opkomstpercentage direct als maatstaf kunt gebruiken voor de mate van vertrouwen in politici. De TK-verkiezingen haalt een opkomst van ca. 80%. Maar ik denk niet dat er meer vertrouwen is in landelijke dan in lokale politici. Het is meer een kwestie van betrokkenheid van de kiezers bij het stadsbestuur. Een gebrek aan lokale maatschappelijke betrokkenheid die overigens veel breder tot uitdrukking komt dan alleen in het stemhokje.

Tijdens een verkiezingscampagne worden balonnen uitgedeeld
Daarom geloof ik ook helemaal niet in de mythe van de ‘kloof tussen burger en politiek’. In een vertegenwoordigende democratie zijn ‘vertegenwoordigen’ en ‘zich laten vertegenwoordigen’ belangrijke kanalen waarlangs invloed en inspraak tot stand komt. Laten we daarom een zekere afstand aanvaarden tussen de actieve en passieve beoefenaars van het kiesrecht. Toegankelijkheid van besluitvorming en eenvoud van taalgebruik is een mooi streven, maar mag nooit ten koste gaan van de zorgvuldigheid van besluitvorming. Die zorgvuldigheid en argumentenuitwisseling levert natuurlijk vaak dikke vergaderstukken met moeilijke woorden op. En niet iedereen heeft tijd, interesse en opleidingsachtergrond om zich overal in te verdiepen. Dat is zelfs onmogelijk! Laten we dat aanvaarden en respecteren en niet iedereen doorlopend vragen om zelf een mening te geven over iets waarin zij zich niet verdiept hebben. Dat is helemaal niet nodig!

(Volks)vertegenwoordigen betekent intermediair zijn tussen gemeentebestuur en ingezetene. Die zogenaamde kloof tussen beiden is het werkterrein van de vertegenwoordiger, dat is de reden van zijn bestaan. Dat betekent dat je als volksvertegenwoordiger niet alleen de taal van de burger moet spreken (wat voor dialect dat ook mag zijn), maar ook de taal van de wetgever, van de bestuurder. En je moet ook nog in beide richtingen als vertaler optreden. Ja zeker, dat betekent dat een volksvertegenwoordiger tussen zijn/haar stadsgenoten op sportvelden, wijkplatforms, scholen en op de Burgemeester Banninglaan moet staan om te luisteren en uit te leggen, maar ook, en dat is zeker niet minder belangrijk, goed voorbereid en kritisch in de Gemeenteraad moet aantreden!

Waarschijnlijk ligt de lat te hoog voor de lokale volksvertegenwoordiger. Een aanzienlijke minderheid van de dwazen, ijdeltuiten en warrige idealisten die zich hiervoor opgeven, voldoet misschien niet. Maar dat is in de eerste plaats een systeemfout die alleen op stelselniveau opgelost kan worden. Laten politici daarom niet hun eigen werk voortdurend bevuilen door te zeggen dat de dikke vergaderstukken met moeilijke woorden geen betrekking hebben op de echte problemen van burgers. Of elkaar telkens weer om de oren slaan met het verwijt dat de ander niet luistert naar de burger of zich verschuilt in een ivoren toren! Allemaal nonsense! Het telkens maar herhalen van de mythe van de kloof tussen burger en politiek heeft de betrokkenheid van de inwoners bij het stadsbestuur nog nooit versterkt, integendeel! Stellingen die maar vaak genoeg beweerd worden gaat men vanzelf geloven ook al zijn ze slecht onderbouwd!

Het probleem van gebrek aan maatschappelijke betrokkenheid bij het bestuur langs de traditionele democratische kanalen en de onvrede die daarbij vrijkomt is complex. Natuurlijk mag je raadsleden aanspreken op de wijze waarop zij invulling geven aan hun werk. Maar ik vind de kritiek vaak veel te eenzijdig en de analyse te beperkt. Ik ben van mening dat ook de burgers met actief kiesrecht en vooral ook de media hierin een belangrijke verantwoordelijkheid hebben die zij niet nemen.

De zaal luistert aandachtig naar het betoog van een belangengroep
De kiesgerechtigde moet weer leren beseffen dat het kiezen van een vertegenwoordiger weliswaar een recht is waarover men per definitie geen verantwoording behoeft af te leggen, maar dat dit geenszins betekent dat het stemmen geen verantwoordelijke taak is. In het dagelijks leven komt het zelden voor dat men een zeer verantwoordelijke handeling mag verrichten waarover men per definitie geen verantwoording schuldig is. Dat is een democratische paradox waarvan de betekenis maar al te vaak onderschat wordt! Het vraagt van de kiezer een uiterste aan (zelf)discipline. Het stemrecht is op individueel niveau weliswaar onschendbaar, maar dat wil niet zeggen dat op collectief niveau de kiezers niet aangesproken mogen worden op de wijze waarop en de mate waarin zij van het stemrecht gebruik maken. Van de politici mag je een dergelijke kritische houding niet verwachten. Zij zijn immers afhankelijk van de gunst van de kiezer. De politici moeten alleen hun opvattingen zo overtuigend en eerlijk mogelijk naar voren brengen. Het zijn vooral de media die de burgers op hun verantwoordelijkheid moeten wijzen, ook minder vriendelijk wanneer dat nodig is. En in meer positieve zin moeten zij de kiezers zoveel mogelijk behulpzaam zijn om hen in staat te stellen hun verantwoordelijke taak naar eer en geweten te vervullen. Maar de media stellen hierin zwaar teleur omdat ook zij afhankelijk zijn van lees- en kijkcijfers en andere commerciële belangen.

In mijn analyse van de crisis waarin de parlementaire democratie zich bevindt speelt de kloof tussen de burgerij en het bestuur daarom maar een ondergeschikte rol. Met het oog op het gevaar van populisme ben ik er ook geen voorstander van dat op deze mythe de nadruk wordt gelegd. Veel belangrijker vind ik dat het instrumentarium van het huidige stelsel is verouderd. Met name de nieuwe technische mogelijkheden van de laatste dertig jaar hebben de aantrekkingskracht van vormen van directe democratie bijna onvermijdelijk weer tot leven gebracht, maar zonder dat de nadelen daarvan voldoende onder ogen worden gezien.

Het is de vraag hoe de verschillende belangen zich tot elkaar verhouden binnen de politiek. Politiek zal altijd wel een spel blijven waartoe je je voelt aangetrokken of niet. Politici en beleidmakers behoeven zich niet altijd in de kaarten te laten kijken, maar zij moeten m.i. wel de moed en de kracht hebben om als het erop aankomt de kaarten open op tafel te leggen.

De burger bestaat niet. Ten onrechte worden hem allerlei opvattingen in de mond gelegd (in dat opzicht lijkt de burger het meest op God en dat is heel irritante rol ). Er zijn wel heel veel verschillende individuen, groepen en partijen met een veelvoud aan verschillende, deels strijdige belangen. Die belangen moeten tegen elkaar afgewogen worden om het algemeen belang te kunnen bepalen. Dat lukt alleen wanneer men open kaart speelt en er naar streeft de belangentegenstellingen zo helder mogelijk in beeld te krijgen. Volgens mij spelen hier drie soorten belangen een rol: het individueel belang, het groeps- of partijbelang en het algemeen belang. Dankzij hun werkzaamheden leveren de raadsleden gezamenlijk een (indirecte) bijdrage aan het algemeen belang. Maar dat is niet de primaire taak van het individuele raadslid. Het raadslid stelt kaders en controleert de bestuurders met als inzet het belang van de groep die hij/zij vertegenwoordigt. Van het democratische raadslid mag men eisen dat hij/zij dit (partij)belang openhartig en doorzichtig behartigt. Wanneer raadsleden een individueel belang behartigen, dan is er al snel sprake van machtsmisbruik of cliëntelisme. Raadsleden kunnen ook het partijbelang verhullen door bijv. andere motieven voor te wenden of zich op een ‘algemeen belang’ te beroepen. Deze handelwijze maakt het besluitvormingsproces niet alleen ondoorzichtig maar frustreert het ook. Tenslotte kunnen raadsleden zich te veel laten afleiden door de wensen van burgers en lobbyisten, bijvoorbeeld om meer kiezers te kunnen trekken dan alleen op basis van het partijbelang aangetrokken zouden kunnen worden. De electorale marketing gedachte is helaas een zeer populaire vorm van politieke vervuiling. De schijn bedriegt. Het lijkt alsof zo’n raadslid geïnteresseerd is in de wensen van burgers. In werkelijkheid trekt hij door bewuste deprofilering een rookgordijn op.

Heel anders is de rol van B&W (de bestuurder). Van burgemeester en wethouders mag wel verondersteld worden dat zij zich voor ‘het algemeen (gemeente)belang’ inzetten. Zij vertegenwoordigen immers niet een partij maar de gehele gemeente (met haar inwoners) (Daarom is het ook zo goed dat zij niet rechtstreeks worden gekozen!). Van een algemeen (gemeente)belang is in ieder geval sprake wanneer dit belang niet strijdig is of wordt bevonden met één of meer partijbelangen. Dat zal echter bij nadere uitwerking van de besluitvorming slechts in een beperkt aantal aangelegenheden het geval zijn. In veel gevallen zal een algemeen belang slechts behartigd kunnen worden door een zorgvuldige afweging van min of meer strijdige belangen. Het draagvlak in de Raad is daarbij uiteraard een belangrijke factor. Maar een zorgvuldige afweging van belangen is meer dan alleen besluitvorming ten gunste van het meerderheidsbelang. De inzet voor het algemeen belang is het product van de dialoog tussen de bestuurder en de gehele raad.

Ik pleit er daarom voor om het algemeen belang, het partijbelang (groepsbelang) en het individueel belang duidelijk te onderscheiden en zeker niet als één geheel te behartigen! Het individueel belang dient op dit niveau niet behartigd maar wel beschermd te worden. Het partijbelang dient open en transparant behartigd te worden. En het algemeen belang dient behartigd te worden door een zorgvuldige afweging van de verschillende partijbelangen.

Leidschendam, mei 2014Scholing in de zaal van de gemeenteraad